Welke deelgebieden zijn er en wat is een deelgebied?

Het WSCS-OCE kent momenteel twee deelgebieden, namelijk deelgebied A (opsporing) en deelgebied B (civieltechnische ondersteuning; gewijzigde term wijzigingsversie WSCS-OCE, 2014).

Op grond van artikel 4.10 van het Arbobesluit geldt een certificatieplicht voor het opsporen van CE. De reikwijdte van deze certificatieplicht volgt uit de wettelijke definitie van het begrip opsporen. In artikel 4.10, eerste lid onder b, van het Arbobesluit is de volgende definitie opgenomen: het detecteren, lokaliseren, laagsgewijs ontgraven, identificeren, tijdelijk veiligstellen van de situatie en overdragen. Hieruit volgt dat alleen het opsporen valt onder de certificatieplicht zoals bedoeld in het Arbobesluit. Als we dit relateren aan de deelgebieden in het WSCS-OCE geeft dat het volgende beeld:

Deelgebied A (opsporen) omvat naast het opsporen ook het vooronderzoek. Het vooronderzoek is altijd al onderdeel geweest van het certificatieschema. In het verleden was het de bedoeling om ook de methode van de Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) op te nemen in het certificatieschema. Dit is echter nooit gebeurd. Waarschijnlijk wordt in 2018 ook het vooronderzoek uit de WSCS-OCE en worden zowel het vooronderzoek als de PRA onderdeel van het vrijwillige procescertificaat C.

Deelgebied B (civieltechnische ondersteuning) heeft geheel betrekking op het opsporen van CE zoals bedoeld in de definitie in het Arbobesluit. Het betreft dan in het bijzonder de inzet van personeel en materieel bij het benaderen en meer concreet met name het laagsgewijs ontgraven en de munitiescheidingsinstallatie.

Het WSCS-OCE bevat dus een wettelijk verplicht deel (opsporen) en een niet wettelijk verplicht deel (vooronderzoek). Met andere woorden: voor het opsporen van CE moet volgens het Arbobesluit altijd een gecertificeerd bedrijf worden ingeschakeld. Voor het vooronderzoek en de PRA is dat op grond van het Arbobesluit niet verplicht.